Home - over ons

Lid worden-doneren

Contact

Nieuws

Cultureel erfgoed

Natuurlijk erfgoed

Rondleidingen

Wandelingen

In de pers

Ideeën en projecten

 

Cultureel erfgoed

- geschiedenis van het dorp Mirabel aux Baronnies
- genealogie van de DRAGONETS
- drie stadswallen
- St Victor en St Julien-kerk
- Beaulieu-kapel
- Calvaire-kapel
- Saint Roch-kapel
- geschiedenis van het dorp Piégon

Zie ook de bezoekplattegronden van de dorpen

"De toekomst is een mysterie, het verleden dat is geschiedenis, en het heden is een geschenk"

Geschiedenis van het dorp Mirabel aux Baronnies

De oudste sporen van het bestaan van het dorp gaan terug tot de nieuwe steentijd, dat wil zeggen zo'n 10.000 jaar voor Christus. Er bestond al een fort in 1023, met de naam  «castrum Miribello ». In 1059 wordt het dorp « Mirabello castellum » genoemd dat toebehoort aan de baronnie van de Dragonet uit Montauban van de 12°siècle, waarna het overgaat in de Dauphiné in 1349.

Mirabel had drie stadswallen waar nog maar 2 stukjes van over zijn aan 2 zijden van het dorp. Eén aan de oostzijde aan de chemin des Barrys. De andere, aan de noordzijde, die met zijn robuuste voorkomen goed de wat strenge, martiale functie weergeeft van dit soort versterkte dorpen.

In de bloeitijd van het dorp was er een Munt, tussen 1334 en 1426.

Vanaf de 13° eeuw werden er gebouwen neergezet, zoals de delphinale kapel, de kerk St Julien en het ziekenhuis. Het dorp heeft geleden onder 2 pest-epidemieën, te weten in 1348 en 1629. In 1562 is het geplunderd, tijdens de godsdienstoorlogen. Op gezag van Richelieu werden de muren deels geslecht, tegelijk met het kasteel, in 1635.

Het dorp was erg actief in de handel van olijfolie en laken. In 1755 woonden er 1900 mensen. 

Genealogie van de familie DRAGONET 

 

Wapen van de Mirabelse familie

« Voorzien van zilverkleurige dwarsbalken en openingen van 10 cent groot »

 

PETRUS PONCIUS de MONDRAGO
(ca. 1108)

De legende over de draak zou dateren uit de 4e of 5e eeuw, en gaf zijn naam aan het dorp. 

 

DRAGONET VAN MONDRAGON
( + vóór 1163)

De naam Dragonet van Mondragon verschijnt voor de 1e keer in 1143.

 

DRAGONET de Oudere  van MONDRAGON (1160 – 1189)

Heer van Mondragon

 

DRAGONET II  De Dappere
( 1180 - 1236)

getrouwd ca. 1181 met Gasca van Montauban,
vrouwe van Montauban, dochter van Raymond II van Mévouillon

Heer van Mondragon, Montauban en Condorcet.

Podesta (1° magistraat) van Arles 1223-1227.

Strijdt samen met de graaf van Toulouse tijdens de Albigenser oorlog (Beaucaire 1216)

 

RAYMOND II van MONDRAGON
« van MONTAUBAN »
(+ 1220)

getrouwd in 1218 met Randonne van Montclus

In 1214 bezit hij land te Valréas, Montbrison, Grillon, Roussieux, Cairanne en Le Pègue

 

DRAGONET III van MONDRAGON
(+ 1278 te Mirabel)                     
getrouwd op 2.10.1231 met Almuse van  Mévouillon                        

Baron van Montauban, heer van Mondragon, neemt deel aan de verovering van het graafschap Venaissin voor het huis van Toulouse

 

RANDONNE van MONDRAGON
(+ ca. 1295)

getrouwd in 1260 met Raymond Gaucelin van Lunel

Dochter van Dragonnet III van Montauban, Barones van Montauban.

Zij vestigt de hoofdstad van de baronnie in Nyons.

 

RONCELIN van LUNEL
(1284 – 1295)

Getrouwd met Béatrix van Genève

Heer van Lunel, baron van Montauban, drost van de Venaissin in 1238. Neemt deel aan de 7e kruistocht. Verkrijgt de baronnie van zijn moeder Randonne in 1284. Wanneer hij geruïneerd is, vermaakt hij de baronnies aan zijn oom Adhémar van Monteil, die zijn rechten aan de dauphin schenkt in 1302.

 

Drie stadswallen

Donkergekleurd is de plek waar het kasteel van de Dragonets van Montauban stond, dat is afgebroken op gezag van Richelieu en waar alleen nog een stukje van de donjon van over is. Nog te bezoeken zijn de Mirabelle-toren aan de noordzijde en de chemin des Barrys, met zijn Sarrazine-toren aan de oostzijde. De torens geven een goede indruk van de versterking.

   

Kerk St Victor en St Julien

De parochiekerk Saint Julien en Saint Victor heeft een romaans koor, een overblijfsel van de delphinale kapel, dat samen met de rest van de kerk is gerestaureerd in de 19e eeuw. Het ontstaan van het gebouw dateert waarschijnlijk uit de periode van de familie Dragonet van Montauban, toen Mirabel, in de eerste jaren van de 13e eeuw, de hoofdplaats was van de baronnies.

De kapel werd verbouwd in de 14e eeuw door Anne, dochter van Guy, op zijn beurt broer van Dauphin Humbert II, en werd gewijd aan Saint Victor door de bisschop van Vaison, aangezien Mirabel toen deel uitmaakte van het graafschap Venaissin. De absis in de vorm van "de achterkant van een oven" is in romaans-provencaalsee stijl (hoger dan de klassieke romaanse stijl), met 2 ramen (in plaats van de gebruikelijke 1 of 3).

Een eerste uitbreiding dateert uit de 16e eeuw, toen er 7 altaren, gewijd door de bisschop van Vaison op 22 januari 1526, werden geplaatst. Opeenvolgende restauraties volgden in  1616 en 1776. In 1820 moest de onderkant van de klokkentoren worden verstevigd door één van de zijkapellen af te breken. Daarna vinden we het feit dat burgemeester Garnier in 1824 een verzoekschrift indient aan koning Lodewijk de 18e, die graaf is van de Provence, waarin hij uitlegt hoe slecht de staat van het gebouw is en dat het veel te krap is geworden. Pas tegen 1840 worden de noodzakelijke werkzaamheden uitgevoerd die aan de kerk zijn huidige aanblik verlenen. Uitbreiding van het middenschip, creëren van de zijgangen en de bouw van een nieuwe klokkentoren.

De laatste inwendige restauratie vond plaats in 1972 dankzij de vasthoudendheid van de priester Morel, die toen de dorpspastoor was. De muren werden schoon gekapt waardoor de mooie stenen weer zichtbaar werden, alsmede het zegel van de Compagnons in de kapel waar het oude hoofdaltaar is geplaatst. In 1992 werden de klokken elektrisch bedienbaar.

Buitenkant

op het kerkplein staat een Missiekruis in gietijzer uit 1756. In het dorp zijn meerdere kruistekens op de wegen die naar de kerk leiden ten behoeve van de begrafenisstoeten die van het platteland kwamen en zo naar de kerk en de begraafplaats werden geleid.

Kapel van Onze Lieve Vrouwe van Beaulieu

Deze kapel was achtereenvolgens een kluizenaarsplek in de 5e eeuw, daarna bezit van de Tempeliers-orde en tot slot van de Maltese ridders, en dat tot aan de revolutie. Dragonet II, heer van Mirabel, is hier begraven sinds 1276, samen met zijn vrouw en kinderen. Sinds 2009 is de kapel gemeentelijk eigendom, een jaarlijkse pelgrimstocht vindt er plaats op Paasmaandag.

Vanaf de heuveltop kan de wandelaar een schitterend uitzicht waarnemen dat de naam aan deze plaats gegeven heeft, Beaulieu, mooie plaats. De kapel van Beaulieu is maar klein en helaas heeft hij geleden onder de herbouw in 1841. Het was de huiskapel van de Dragonet van Montauban. Ze kwamen hier bidden wanneer ze op hun grondgebied Mirabel verbleven. Het bestaan van een kapel van Beaulieu wordt al gemeld in 1059 in een document van de Abdij van St Victor te Marseille. Er is sprake van een plaats waar al sedert heel lang religie werd bedreven.

De kapel is gebouwd en gedecoreerd door de familie Montauban die er in 1237 afstand van deed aan de Tempeliers-orde. Na 1308 vervielen de bezittingen van de Tempeliers aan de Chevaliers Hospitaliers (Gastvrije ridders), die later werden omgedoopt tot Maltese ridders. De kapel leek op de vele boerengebouwen die stonden op de heerlijke gronden en was bestemd voor een relatief kleine gemeenschap. Net als elders is het absis in de vorm van de achterkant van een oven gebouwd en het gewelfde schip heeft bogen. De kapel herbergt de grafsteen van de familie Dragonet van Montauban, van welke enige botresten gevonden werden in 1969, onder de tegels van de huidige ingang, daar waar oorspronkelijk het altaar stond.

De grafsteen van de Dragonet heeft 2 wapenschilden in hoog-reliëf, aan weerszijden van een kruis dat aan de orde van de Tempelierridders werd geschonken door Paus Eugenius III in 1146. Het rechterschild is voorzien van het tempelierskruis, gehouwen in de gebruikelijke cirkel, het linkerwapen is het familiewapen van de Dragonet, « voorzien van 5 fazen (strepen) en over het geheel een wapenschildversiering... », een beetje moeilijk thuis te brengen, maar die de emblematische voorstelling kan zijn van het dorp aan de Rhône waar de familie haar naam aan ontleent. Onder deze steen zou Dragonet II zijn begraven in 1276, door zijn dochter Randonne, bij de overblijfselen van zijn vrouw en zijn ouders.

OLV van Beaulieu was heel lang de voornaamste locale bedevaartplaats. De gelovigen gingen bidden op de tombe van de Dragonet, als waren het heiligen. Het collectieve geheugen heeft ook wel wat verfraaid: het gewelddadige en strijdlustige karakter van de baron werd vergeten en daarvoor in de plaats kwamen goedheid en goedgeefsheid vanwege de voorliefde die hij had voor Beaulieu.

De kapel is open op Paasmaandag, voor een jaarlijkse dienst.

De weg van de pest in 1721

Klik hier voor het document dat gaat over "La ligne de santé" (de gezondheidslinie).

Kapel van de Calvaire

Dit kleine gebouw dat bovenop een plateau staat, domineert het hele landschap. Vandaar ziet men de Eygues-vallei, de Garde-Grosse berg, de bedding van de Rieussec-rivier, de laagvlakte van het Voconcische landschap en de Mont Ventoux. Van ver gezien is het een wit merkteken op een donkere achtergrond.

De kapel is gebouwd in de 14e eeuw, ten tijde van de Dauphins. Het dak bestaat nog altijd uit over elkaar liggende schilden. Iets lager dan de kapel bevindt zich de grot van de liggende figuur, eertijds een Christusfiguur uit vijgenbomenhout, sinds 1940 is er een versie van cement, een zwaar door hedendaagse vandalen beschadigd beeld. Op de top van de heuvel staat een rechte kolom in steen, de vorm ervan is het model van de kruiswegstaatsie, waar nog enkele resten van te vinden zijn wanneer men weer naar het dorp wandelt.

 

Kapel Saint Roch

In het dorp zelf staat deze kapel, thans privé-bezit, die in 1630 is gebouwd als dank aan de Heilige Rochius (1340-1378) die ervoor gezorgd zou hebben dat de pest verdween, die al een honderdtal slachtoffers had geëist. Toen deze heilige door de pest was getroffen, werd hij door zijn hond gered omdat deze hem voedsel bracht, en zo werd hij de heilige voor de mensen die aan de pest leden.

De kapel staat aan de noordelijke uitgang van Mirabel, langs de weg die naar Nyons leidt. Nadat de pest 11 maanden had geheerst, uitten de bevolking en de consuls de wens om een kapel te bouwen die was gewijd aan St Roch. De legende wil dat hij ooit, op weg naar Italië door Mirabel zou zijn gekomen. Maar goed, waar is deze heilige niet langs gekomen?

Ook deze kapel is naar het klassieke model gebouwd van rurale kerken. In 1632 is hij gewijd. Het gebouw is uiterst simpel. Twee vierkante openingen omlijsten de toegangsdeur. In de gevel bevindt zich een ronding met een kruis erin van gietijzer. Voor de deur staat een missiekruis uit de 19e eeuw. Alleen op 16 augustus is er een dienst en is de kapel open.

 

De Tune, de fonteinen, de wasplaatsen

In 1870 besloot de gemeenteraad om de eerste waterleiding aan te leggen. De Tune-bron werd daarvoor gebruikt, die een zijtak is van de Rieussec op zo'n 1200 meter van het dorp. De bron werd gekanaliseerd via een voor die tijd vernuftig systeem onder de grond, een 433 meter lang, in de zavelsteen gegraven kanaal. Het kanaal steekt de Gauderivier over middels een siphon en vandaag de dag voorziet de Tune nog steeds de 3 wasplaatsen en 5 fonteinen van water. Het werk is klaar in 1876, waarna de Mirabellais bij het water konden via aftappunten, in plaats van diep in putten. Tot in de jaren 60 van de vorige eeuw werden de wasplaatsen nog altijd grif gebruikt.

 

Fontein uit de 13e eeuw

Deze fontein is nog ouder dan het kasteel van de Gouvernet, dat werd gebouwd in ca. 1600, op de hoek van de Place d’Armes en straat waar het ziekenhuis staat. Dat kasteel werd vernietigd door een brand in 1745. De fontein heeft een "deksel" dat getuigt van de locale comtadine stijl, namelijk een soort dennenappel. Het water stroomt uit 4 vrouwenkoppen, en dat is wel uitzonderlijk in de Provence. De fontein is een rijksmonument.

De Place d’Armes vormde tezamen met de rue de Général de Gaulle het centrum van het dorp met 2 kruidenierszaken, een bakker, een matrassenmaker, een sleutelmaker, een kleermaker, een touwslager, een hoefsmid, een zaak voor huishoudelijke artikelen, 2 café's en een hotel. Eén van de kruidenierszaken op het plein was de laatste die zijn deuren definitief sloot in 1970.

 

 

Geschiedenis van het dorp Piégon

Het grondgebied van Piégon is al bewoond sinds het nieuwe steentijdperk (7000 voor Christus – 2500 vC.), zoals getuigd wordt door een steenwerkplaats die in 1980 werd gevonden. In 1178 vermaakt de baron van Montauban, heer van Mirabel, het gebied aan een zekere Gigone, zodat deze een trouwe dienaar zal blijven in geval van conflicten. Het gebied heet dan Le Puy (heuvel) en het ligt tegenover Mirabel. Vandaar de naam Piégon : PuyGigon.

Het oude dorp, dat was gebouwd op een kleiheuvel, wordt tussen 1880 en 1930 meer en meer verlaten. De gebouwen krijgen scheuren en storten in. Enige muurresten zijn er nog van en de klokkentoren die nog elk uur slaat.

 

Notre Dame du Cadenet (OLV van Cadenet)

Dit is een heel oud kerkje, dat qua hoogkoor dateert uit de 11e eeuw. De eeuw waarin de godsdienst een opleving doormaakte. Het kerkje is één van de mooiste voorbeelden van de rurale romaanse kerken en verdient zeker een bezoek. 

Deze kerk heeft zijn legende, namelij die van de "cade", een jeneverbesstruik die bij het kerkhof zou staan, waar de koeien of de trekdieren van een boer knielden, want de H. Maagd zat er op een tak. Vlakbij die plaats bouwde men een kapel die een bedevaartsoord werd. De gelovigen uit Vaison hebben deze kapel beetje bij beetje groter gemaakt, tot wat hij nu is.

In het schip zijn een paar geometrische afbeeldingen te bewonderen, de enige decoratie in een bijzonder kaal, en daarme verstild, interieur. Buiten, aan de zuidzijde, is wat versiering aan de goten te zien.

 

De wasplaats

Omdat het voormalige dorp op de kleiheuvel geen water had, was er een wasplaats gebouwd die tegelijk diende als waterput en als wasgelegenheid. De verschillende fasen van de planning, te weten de aankoopakte van het terrein, het arrest van de prefect, de overeenkomst etc, speelden zich af tussen 1871 en 1873. De financiering en de uitvoering vonden plaats tussen 1873 en 1875. Voor de restauratie werden de bestaande en teruggevonden materialen gebruikt om het gebouw in zijn oude glorie te herstellen. Bijzonder is de originele boogvorm in gewapend beton. Op 29 juli 2011 werd de gerestaureerde wasplaats officieel "heropend".

 

Het kruis

Dit is een zeer fraai gietijzeren kruis van het einde van de 19e eeuw. Mogelijk is het daar terecht gekomen als vervanging van een ander religieus embleem (een standbeeld?). De versiering is geïnspireerd door de toewijding aan het Heilig Hart, dat door Paus Pius IX in 1856 weer in ere werd hersteld. Vele symbolen van het Passieverhaal staan erop afgebeeld:

- aan de voet de 4 evangelisten : Johannes (adelaar), Marcus (leeuw), Lucas (stier) en Mattheus (engel).
- iets hoger de wetboeken met de cijfers I tot X, overeenkomend met de 10 geboden.
- in het midden het lijdensverhaal met het heilig hart, de doornenkroon en het zwaard, dat het lijden symboliseert.
- bovenaan een vaas die volgens de evangeliën dat weergeeft wat in het tabernakel thuishoort, hetzij voor de mis, hetzij voor de versiering.
- aan de zijkant de M die symbool staat voor Maria die haar zoon begeleidt.
- helemaal bovenaan staan cherubijnen en seraphijnen afgebeeld, de boodschappers tussen God en de mensen.

 

La belle vendangeuse : de schone druivenoogstster

Toen wegens wegverbreding het zavelmassief lelijk te lijden had gehad, besloot de heer Jean-Pierre EICHENBERGER, voorzitter van het artistieke centrum van Piégon, een voorstel in te dienen voor een sculptuur in de zavel. Op die manier zou het weer een esthetisch aangezicht krijgen. De gemeenteraad onder leiding van burgemeester Georges Serré kreeg dit voorgelegd. Het doel was ook om de economische activiteit van Piégon, die voornamelijk uit wijndruivencultuur bestaat, weer te geven. Het werd uiteindelijk in 5000 manuren gecreëerd, verdeeld over 18 maanden, met behulp van Yann-Eric Eichenberger, Emmanuel Blanc en Lucien Marin. Eichenberger zal het monumentale kunstwerk van 30 bij 6 meter aan de gemeente Piégon schenken tijdens de inhuldiging op 6 juli 1997. Hij completeert het met een aan de "Madonna van de druiventros" gewijde zijde.

 

De fresco's in de Mairie

Jean LHUER, een verzetstrijder uit de Drôme die werd gezocht door de Gestapo, dook onder bij de familie Oudot in Piégon. Hij was schilder en maakte in 1945 op de muren van de gemeenteraadszaal 3 fresco's die het Verzet een ereplaats geven, met de woorden: 

« De schrijver en journalist Joseph Kessel, genaamd « Jeff », was de auteur van een vreselijk waar boek over het verzet: « L’ARMÉE DES OMBRES » (het leger van schaduwen).

Omdat ik hem bij de bevrijding van de Drôme gekend heb, neem ik de vrijheid om die titel te gebruiken ten einde hen af te beelden die, in stilte, zoals katten in de nacht, als nachtvogels in hun zo efficiënte vlucht, zich veranderden in zwijgende schaduwen, onherkenbaar in het donker. Het is voor hun activiteiten en om de vrijheid te hervinden. Een verzetstrijder was:
- voor velen: niet-bestaand en ongekend,
- voor de collaborateurs: een dief in de nacht,
- voor de bezetter: een « TERRORIST » die op de zenuwen werkte.

Natuurlijk was dat zo, omdat hij zijn best deed om te versmelten met bomen en stenen en omdat hij zijn leven waagde door angstaanjagende ontmoetingen op te zoeken die tot de dood zouden leiden van de "gelaarsde coloradokevers"."